ECLI:NL:RVS:2019:1909

Raad van State

Datum uitspraak
14 juni 2019
Publicatiedatum
14 juni 2019
Zaaknummer
201903596/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verplichting tot nieuw besluit verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 14 maart 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Na een aanvullend besluit en een tussenuitspraak van de rechtbank, waarin de staatssecretaris werd verzocht een gebrek in het besluit te herstellen, heeft de staatssecretaris aangegeven hier geen gebruik van te maken. De rechtbank heeft vervolgens op 9 april 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen tien weken een nieuw besluit moet nemen.

De staatssecretaris heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij het nieuwe besluit al moet uitvoeren voordat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de staatssecretaris als kennelijk gegrond beoordeeld en een voorlopige voorziening getroffen waardoor de staatssecretaris niet verplicht is het nieuwe besluit te nemen totdat het hoger beroep is afgerond.

De uitspraak is gedaan op 14 juni 2019 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij geen proceskostenveroordeling is opgelegd.

Uitkomst: De staatssecretaris hoeft in afwachting van het hoger beroep geen nieuw besluit te nemen op de aanvraag verblijfsvergunning asiel.

Uitspraak

201903596/2/V2.
Datum uitspraak: 14 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 april 2019 in zaak nr. 17/6189 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen.
Bij tussenuitspraak van 8 januari 2019 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.
Bij brief van 4 februari 2019 heeft de staatssecretaris de rechtbank medegedeeld geen gebruik te maken van de in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.
Bij uitspraak van 9 april 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand zal blijven. Gelet hierop en op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
3.    Het verzoek van de staatssecretaris moet als kennelijk gegrond worden toegewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, griffier.
w.g. Drop    w.g. Bakker
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2019
393.