Uitspraak
Datum uitspraak: 12 juni 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De burgemeester van Almere legde aan appellant een last onder dwangsom op nadat in zijn woning een hennepkwekerij met 469 hennepplanten werd aangetroffen. Appellant voerde aan dat het geen handelshoeveelheid betrof, dat de planten nog jong waren en geen werkzame stoffen bevatten, en dat hij slechts medeplichtig was. Ook stelde hij dat het Damoclesbeleid onredelijk was omdat het geen waarschuwing voorschreef en dat de duur en hoogte van de dwangsom onredelijk waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat volgens vaste jurisprudentie de aanwezigheid van meer dan vijf hennepplanten geacht wordt bestemd te zijn voor verkoop of verstrekking, ongeacht de leeftijd of werkzame stoffen. De burgemeester mocht daarom de last opleggen. De last onder dwangsom kan worden gezien als een passende maatregel in plaats van sluiting, zeker gezien het woongenot en privacybelang in bewoonde woningen. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt bij de bevoegdheid tot oplegging geen rol; als eigenaar en bewoner kan appellant verantwoordelijk worden gehouden.
De hoogte van de dwangsom van €50.000,- was in redelijke verhouding tot de ernst van de overtreding en het Damoclesbeleid. De duur van twee jaar was passend en niet te lang. Het hoger beroep van appellant faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft gehandhaafd.