ECLI:NL:RVS:2019:1816
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring Omtrent het Gedrag wegens eerdere veroordelingen
Appellant heeft op 27 januari 2017 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor een functie als huishoudelijke hulp. De minister wees de aanvraag af omdat appellant binnen de terugkijktermijn van vier jaar veroordeeld was wegens diefstal in vereniging met braak, wat volgens het screeningsprofiel een risico voor de samenleving vormt.
Appellant stelde dat het risico niet aanwezig was omdat de zorg alleen aan zijn moeder zou worden verleend en dat de weigering grote persoonlijke en financiële gevolgen had. De rechtbank oordeelde dat aan het objectieve criterium was voldaan en dat de belangenafweging in het nadeel van appellant uitviel.
De Afdeling bestuursrechtspraak volgde dit oordeel en bevestigde dat de minister terecht de VOG heeft geweigerd op grond van artikel 35 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Afdeling benadrukte dat de minister geen rekening hoeft te houden met het feit dat de zorg alleen aan de moeder wordt verleend, omdat de VOG ook voor andere hulpbehoevenden zou kunnen gelden.
De Afdeling concludeerde dat de weigering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege eerdere veroordelingen.