ECLI:NL:RVS:2019:1804
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in hoger beroep
Bij besluiten van 1 november 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verkrijgen afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar deze bezwaren werden op 14 en 22 juni 2017 door de staatssecretaris ongegrond verklaard.
De vreemdelingen stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 maart 2018 de beroepen gegrond verklaarde, de besluiten vernietigde en de staatssecretaris opdroeg nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van de staatssecretaris geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wordt het griffierecht vastgesteld.
Deze uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige besluitvorming in vreemdelingenzaken en benadrukt de beperkte toetsingsruimte van de bestuursrechter bij de beoordeling van dergelijke besluiten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.