ECLI:NL:RVS:2019:1789
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 november 2015 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 25 juli 2016 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop het hof op 7 november 2018 antwoord gaf. Na ontvangst van een reactie van de vreemdeling werd het onderzoek gesloten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die voor de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming van belang waren. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Daarnaast werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.