ECLI:NL:RVS:2019:1770
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar afwijzing aanvraag Nederlands rijbewijs
De appellant, woonachtig in India, diende op 3 mei 2017 een aanvraag in voor een Nederlands rijbewijs, die door de RDW op 13 juni 2017 werd afgewezen omdat het Nederlandse rijbewijs ongeldig was verklaard na omwisseling tegen een Indiaas rijbewijs.
De appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de appellant inmiddels weer over een Nederlands rijbewijs beschikte.
De appellant stelde dat hij door de afwijzing schade had geleden, onder meer doordat hij een jaar lang vrijwel nergens kon autorijden en kosten moest maken om zich in Nederland te vestigen om alsnog een rijbewijs te verkrijgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de appellant voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde vervolgens of de RDW het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De RDW stelde terecht dat de termijnoverschrijding niet was gerechtvaardigd, ook al was de appellant uitgegaan van een onjuiste telefonische mededeling van een RDW-medewerker.
De Afdeling verklaarde het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2017 van de RDW ongegrond en gelastte terugbetaling van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de RDW wordt ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.