ECLI:NL:RVS:2019:1684
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 29 maart 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 25 april 2019 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Gezien de omstandigheden en eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) werd het verzoek gegrond verklaard. De vreemdeling mag niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en behoudt gedurende die periode recht op opvang en verstrekkingen volgens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Daarnaast werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, welke volledig toe te rekenen zijn aan beroepsmatige rechtsbijstand door een derde partij. De uitspraak werd op 24 mei 2019 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.