ECLI:NL:RVS:2019:1677
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb
De staatssecretaris heeft op 28 oktober 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 22 augustus 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 17 mei 2018 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:982) waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris vreemdelingen die geen gezinslid zijn in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan doorverwijzen naar de reguliere procedure voor gezinshereniging. Tevens moet de vreemdeling volledig worden geïnformeerd over de gevolgen van afwijzing en de te nemen stappen.
De Afdeling oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het besluit van 22 augustus 2017 in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.536,00.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.