ECLI:NL:RVS:2019:167
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor onvergund onttrekken woonruimte door hennepkwekerij
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van €4.000,- op wegens het onvergund onttrekken van twee slaapkamers aan de woonbestemming door inrichting van een hennepkwekerij. Appellant betwistte zijn betrokkenheid, stellende dat hij tijdens de periode van de kwekerij in het buitenland verbleef en niet financieel profiteerde.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant als huurder verantwoordelijk is voor wat zich binnen zijn woning afspeelt en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij afwezig was. De boete werd als wettelijk en niet onredelijk hoog beoordeeld. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet de overtreder was en dat zijn financiële situatie matiging rechtvaardigde.
De Raad van State overwoog dat de aanwezigheid van een Oostenrijks vignet op de auto van appellant niet bewijst dat hij de gehele periode afwezig was. De kwekerij was al vanaf 26 juni 2016 in werking, en appellant moet daarvan op de hoogte zijn geweest. Financieel voordeel is niet relevant voor de boetehoogte en appellant had geen bewijs voor matiging overlegd.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €4.000,- wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.