ECLI:NL:RVS:2019:1618
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten bij onrechtmatige vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 1 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelde vast dat er een gebrek was in de direct aan de bewaring voorafgaande staandehouding, ophouding of verlenging van de ophouding, en dat dit gebrek rechtvaardigt dat de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Dit volgt uit een eerdere uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1498), die hier van overeenkomstige toepassing is.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze de staatssecretaris niet had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1.536,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee werd het hoger beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.536,00 wegens een gebrek in de voorafgaande staandehouding bij vreemdelingenbewaring.