ECLI:NL:RVS:2019:1430
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing VOG-aanvraag wegens herhaalde vermogensdelicten en risico voor functie
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een functie als productie-assemblagemedewerker bij een autofabrikant. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op grond van registraties in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), waaronder meerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en lopende proeftijden.
De minister baseerde zijn besluit op de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 en hanteerde daarbij een objectief criterium, waarbij werd beoordeeld of herhaling van de strafbare feiten een risico vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, en een subjectief criterium, waarin de omstandigheden van het geval worden meegewogen. De minister stelde dat het belang van de bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van appellante bij het verkrijgen van de VOG.
Appellante voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat haar strafbare feiten een belemmering vormen voor haar functie en dat de proeftijd niet meegewogen had mogen worden. Ook stelde zij dat het afwijzen van de VOG haar baan en inkomsten kost. De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste, gezien het risico van herhaling van vermogensdelicten in relatie tot de functie. Het subjectieve criterium bood geen aanleiding tot afgifte van de VOG, mede vanwege de ernst en aard van de feiten, de korte verstreken tijd sinds de laatste veroordeling en de lopende proeftijden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege het risico dat de justitiële antecedenten vormen voor de functie.