ECLI:NL:RVS:2019:1409
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken beschermenswaardig familie- of gezinsleven
De vreemdeling, een 75-jarige Irakese vrouw die sinds 2013 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar meerderjarige kinderen te kunnen verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat er meer dan normale emotionele banden bestonden, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. De vreemdeling stelde incidenteel hoger beroep in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen geldige grieven aanvoerde.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geoordeeld dat de emotionele banden onvoldoende waren, ondanks een nieuwe omstandigheid over de medische situatie van één zoon. De brief van de psychotherapeut maakte niet aannemelijk dat de zoon niet door anderen geholpen kon worden. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De Raad van State wees ook de overige beroepsgronden van de vreemdeling af, waaronder het beroep op een Amerikaans inreisverbod en het arrest Üner van het EHRM. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.