ECLI:NL:RVS:2019:1403
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beëindiging verblijfsrecht en vertrekplicht gemeenschapsonderdaan Nederland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit vastgesteld dat de vreemdeling, een Griekse gemeenschapsonderdaan, geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland en hem opgedragen het land binnen vier weken te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het terugkeerbesluit, waarbij de vertrekplicht werd verwijderd.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het besluit van 10 november 2017 geen terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn is, omdat deze richtlijn niet van toepassing is op burgers van de Unie. De Afdeling stelde vast dat de vertrektermijn van vier weken is gebaseerd op de Vreemdelingenwet 2000 en dat de staatssecretaris terecht heeft bepaald dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij zich niet aan deze termijn houdt.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd was de vertrekplicht op te leggen en dat de motivering van het besluit voldoende was.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vertrekplicht binnen vier weken bevestigd.