ECLI:NL:RVS:2019:139
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 16 november 2016 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 4 december 2018 dat het besluit onrechtmatig was en vernietigde het, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van partijen een voorlopige voorziening rechtvaardigden.
De voorzieningenrechter besloot daarom dat de staatssecretaris geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 21 januari 2019.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen voordat het hoger beroep is beslist.