ECLI:NL:RVS:2019:1359

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
201806581/1/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J.C. van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4, onderdeel 9, bijlage II Besluit omgevingsrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen bedrijfsmatig gebruik uitweg op perceel te Benschop

Het college van burgemeester en wethouders van Lopik wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het bedrijfsmatig gebruik van een uitweg op een perceel in Benschop af. Appellant stelde dat dit gebruik in strijd was met het bestemmingsplan en niet vergund was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de omgevingsvergunning van 20 juni 2014, hoewel inmiddels vernietigd, het gebruik van de uitweg als onderdeel van het bedrijf van partij omvatte. Dit bleek uit de aanvraag en de bijgevoegde situatietekening waarop de uitweg was ingetekend. Hierdoor was het college ten tijde van het besluit op bezwaar niet bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van de uitweg.

Het betoog van appellant dat de uitweg niet onderdeel was van de vergunning en dat de ruimtelijke onderbouwing dit niet vermeldde, faalde omdat de tekeningen duidelijk waren en onderdeel uitmaakten van de vergunning. De Afdeling liet het betoog over een latere vergunning buiten beschouwing omdat deze na het bezwaarbesluit was verleend.

Gelet op het voorgaande bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201806581/1/A1.
Datum uitspraak: 24 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Benschop, gemeente Lopik,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2018 in zaak nr. 17/643 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lopik.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel [locatie] te Benschop (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.W.M. van Alphen, rechtsbijstandverlener te Uden, is verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
1.    Achter de op het perceel aanwezige woonboerderij is sinds 2004 [partij] gevestigd. Ten oosten van de woonboerderij ligt een uitweg ten behoeve van het kabelmontagebedrijf.
[appellant] woont op het naastgelegen perceel op nummer […]. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bedrijfsmatig gebruik van de uitweg, omdat dit in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" en de daarin voor het perceel opgenomen bestemming "Woondoeleinden". [appellant] stelt van dit gebruik hinder te ervaren.
Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat het gebruik van de uitweg volgens het college in overeenstemming is met de aan [partij] verleende omgevingsvergunning van 20 juni 2014.
2.         [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitweg geen onderdeel uitmaakt van de in 2014 verleende omgevingsvergunning voor het bedrijf. Hij voert daartoe aan dat [partij] uitsluitend vergunning heeft gevraagd voor de activiteit bouwen van een bedrijfshal en kantoorruimte, en niet voor het gebruik van de uitweg. Ook de naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1016, verleende nieuwe omgevingsvergunning van 23 januari 2018 heeft geen betrekking op het bedrijfsmatig gebruik van de uitweg, aldus [appellant].
2.1.    De omgevingsvergunning van 20 juni 2014, die inmiddels is vernietigd, zag op de activiteiten bouw en strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het door [partij] ingediende aanvraagformulier van 18 december 2012 en de daarbij behorende situatietekening van 4 november 2013, nr. B4.010, blijkt dat de aanvraag om omgevingsvergunning niet alleen betrekking had op de bouw van een bedrijfsloods en kantoor, maar tevens zag op het gebruik van de uitweg op de percelen 1128 en 1129. De betreffende uitweg staat op de situatietekening op genoemde percelen ingetekend. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de situatietekening met daarop de uitweg ook als afbeelding 4 is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing. De situatietekening en de ruimtelijke onderbouwing zijn als gewaarmerkte stukken bij de omgevingsvergunning van 20 juni 2014 gevoegd.
De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het gebruik van de uitweg ten behoeve van het bedrijf van [partij] bij de omgevingsvergunning van 20 juni 2014 is vergund, zodat het college ten tijde van het besluit op bezwaar van 10 januari 2017 niet bevoegd was daartegen handhavend op te treden. De stelling van [appellant] dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt ingegaan op het gebruik van de uitweg, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op de duidelijke tekeningen die onderdeel zijn van de aanvraag en de vergunning. Hetgeen [appellant]   heeft aangevoerd over de omgevingsvergunning van 23 januari 2018 laat de Afdeling buiten beschouwing, omdat die vergunning dateert van na het besluit op bezwaar van 10 januari 2017.
Het betoog faalt.
3.    Reeds gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de uitweg. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan het betoog van [appellant] over artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Van den Broek    w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2019
457-908.