ECLI:NL:RVS:2019:131
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens schending verdedigingsbeginsel in asielprocedure
De staatssecretaris heeft op 6 september 2018 besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 december 2018 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank na schorsing van het onderzoek ter zitting op 2 oktober 2018 zonder nadere zitting uitspraak had gedaan, zonder partijen te vragen toestemming te geven voor het achterwege laten van die zitting. Dit zou in strijd zijn met artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de goede procesorde, waardoor het verdedigingsbeginsel was geschonden.
De Raad van State stelde vast dat de rechtbank niet had voldaan aan de vereisten van artikel 8:64, vijfde lid, Awb, omdat partijen niet in de gelegenheid waren gesteld binnen een redelijke termijn te verklaren of zij gebruik wilden maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Hierdoor was het hoger beroep kennelijk gegrond en werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak besloot de zaak niet terug te verwijzen naar de rechtbank, maar zelf het beroep ongegrond te verklaren, omdat de rechtbank de vreemdeling reeds de mogelijkheid had geboden een contra-expertise te laten uitvoeren. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel.