ECLI:NL:RVS:2019:1298
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 12 april 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 30 januari 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 21 december 2018 gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten.
De voorzieningenrechter overwoog dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het daadwerkelijk verlenen van de mvv, zodat uitvoering van die uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning van de staatssecretaris. Daarom zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek werd als kennelijk ongegrond afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.