ECLI:NL:RVS:2019:1286
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris heeft op 1 augustus 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 7 april 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 19 december 2017 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris een vreemdeling die geen gezinslid is als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan doorverwijzen naar de reguliere procedure voor gezinshereniging. Tevens moet de vreemdeling volledig worden geïnformeerd over de gevolgen van afwijzing en de te nemen stappen in de reguliere procedure, uiterlijk bij het besluit op bezwaar.
De Afdeling stelde vast dat de aangevoerde grief over de toepassing van artikel 8 EVRM Pro in de nareisprocedure slaagt en verklaarde het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van 7 april 2017 alsnog gegrond verklaard. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand omdat de vreemdeling inmiddels op de hoogte is van de reguliere procedure. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 7 april 2017 worden vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen en vergoeding van proceskosten.