ECLI:NL:RVS:2019:125
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had bij besluit van 1 november 2018 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State beoordeelde het hogerberoepschrift en constateerde dat de vreemdeling geen nieuwe grieven aanvoerde, maar slechts standpunten herhaalde die reeds bij de rechtbank waren behandeld. Hierdoor voldeed het hogerberoepschrift niet aan de vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, dat een duidelijke grief en motivering eist.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, waarin mr. N. Verheij als lid en mr. J.W. Prins als griffier optraden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige grief.