ECLI:NL:RVS:2019:119
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht
De minister legde appellant een boete van € 1.250,- op wegens het niet tijdig voldoen aan zijn inburgeringsplicht, welke werd gematigd tot € 500,-. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat hem niet of verminderd verwijt valt dat hij niet tijdig aan zijn plicht voldeed, omdat hij vertraging opliep door toezeggingen van VluchtelingenWerk die niet werden nagekomen en hij pas in september 2014 kon starten met een cursus bij een andere aanbieder.
De Raad van State oordeelde dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om tijdig te beginnen met de cursus, en dat de vertraging niet aan hem te wijten is. Gezien de omstandigheden en het feit dat appellant binnen drie jaar het examen behaalde, is het niet verwijtbaar dat hij niet vóór 2 oktober 2016 voldeed aan zijn inburgeringsplicht.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het boetebesluit van de minister, herroept het oorspronkelijke besluit en verklaart het hoger beroep gegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt vernietigd en appellant hoeft geen boete te betalen.