ECLI:NL:RVS:2019:1126
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking jachtakte wegens onbetrouwbaarheid houder na veroordeling
Appellant, houder van een jachtakte, kreeg deze op 11 januari 2017 ingetrokken door de korpschef van politie op grond van artikel 5.4, vierde lid, onderdeel c, van de Wet natuurbescherming. Deze intrekking volgde op een veroordeling van appellant door de rechtbank Utrecht op 5 juli 2016 voor diverse overtredingen van de Flora- en faunawet en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde. De staatssecretaris handhaafde dit besluit bij besluit van 30 juni 2017, en de rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 15 mei 2018.
Appellant voerde aan dat hij geen misbruik had gemaakt van wapens of munitie en dat hij de jachtakte nodig had voor beheer- en schadebestrijding. Ook stelde hij dat andere zwanendrifters hun jachtakte sneller hadden teruggekregen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de intrekking terecht was omdat het vertrouwen in appellant als houder van wapens en munitie was geschaad door zijn veroordeling, ook al hadden de feiten geen direct verband met wapens. De bijzondere positie van een jachtaktehouder vereist strikte naleving van de regels en onthouding van ernstige overtredingen.
De Afdeling benadrukte dat geringe twijfel aan de betrouwbaarheid van de houder voldoende is voor intrekking. De stelling dat andere zwanendrifters hun jachtakte eerder terugkregen was niet relevant omdat het hier ging om intrekking, niet om hernieuwde verlening. De intrekking werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de jachtakte bevestigd.