ECLI:NL:RVS:2019:107
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde
Appellante verzocht om het Nederlanderschap voor zichzelf en haar minderjarige kinderen, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), vanwege ernstige vermoedens dat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Deze verdenking was gebaseerd op een openstaande strafzaak wegens onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de afwijzing ongegrond en ook in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd dit oordeel bevestigd. Appellante voerde aan dat er bijzondere omstandigheden waren die tot een ander oordeel moesten leiden, maar de Afdeling oordeelde dat deze niet zodanig waren dat zij het vermoeden van gevaar voor de openbare orde konden weerleggen.
De Afdeling benadrukte dat slechts in zeer bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de afwijzingsregels en dat omstandigheden zoals het ontbreken van eerdere strafbare feiten en het tonen van berouw niet als bijzonder worden aangemerkt. Ook nieuw overgelegde rapportages konden het oordeel niet wijzigen.
De afwijzing betekent niet dat appellante in de toekomst geen Nederlanderschap kan verkrijgen; zij kan na het verstrijken van de rehabilitatietermijn opnieuw een verzoek indienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie bevestigd.