ECLI:NL:RVS:2018:97
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en toekenning hogere proceskostenvergoeding bij bezwaar en beroep
Appellant had bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag gedaan voor een toevoeging voor rechtsbijstand, welke op 13 oktober 2015 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en beroep bij de rechtbank werd uiteindelijk op 4 april 2017 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, maar werd de raad wel veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €495 aan appellant.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte een te lage wegingsfactor (0,5) had toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding. De Raad van State oordeelde dat de behandeling van bezwaar en beroep in beginsel tot de categorie gemiddeld behoort (wegingsfactor 1,0), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. De rechtbank had onvoldoende redenen gegeven om de lagere factor toe te passen.
De Raad van State vernietigde daarom het bestreden deel van de uitspraak en veroordeelde de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van €1.002 aan appellant voor proceskosten in bezwaar en beroep, alsmede €250,50 voor proceskosten in hoger beroep. Tevens werd het betaalde griffierecht van €124 vergoed. De zaak werd zonder zitting behandeld en het hoger beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de raad tot een hogere proceskostenvergoeding van €1.002 en aanvullende kosten.