ECLI:NL:RVS:2018:879
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve verblijfsvergunning en inreisverbod bij ondertoezichtstelling minderjarige dochter
De vreemdeling, moeder van een minderjarige dochter die onder toezicht staat van stichting Nidos, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees dit verzoek af en vaardigde een inreisverbod uit, met het argument dat de uitzetting niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro omdat de dochter mee kan naar Marokko. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde.
In hoger beroep stond centraal of de staatssecretaris de ondertoezichtstelling van de dochter had moeten betrekken bij de ambtshalve beoordeling van de verblijfsvergunning en of het inreisverbod strijdig was met artikel 8 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte de ondertoezichtstelling niet had betrokken, maar dat de vreemdeling onvoldoende actuele gegevens had verstrekt om te bewijzen dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro.
Verder werd geoordeeld dat de vreemdeling niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en dat het inreisverbod niet onrechtmatig was. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbeterde motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod bevestigd.