ECLI:NL:RVS:2018:856
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid bezwaar tegen weigering aanvullende WOZ-informatie en toekenning proceskosten
Appellant verzocht de minister van Financiën om openbaarmaking van documenten over de vertraging van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). De minister weigerde aanvullende informatie te verstrekken en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en vernietigde het besluit, maar oordeelde inhoudelijk dat de minister geen aanvullende documenten had en het bezwaar ongegrond was.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, stellende dat de minister mogelijk meer documenten achterhield en dat ambtenaren onder ede zouden moeten verklaren over het bestaan van documenten. De Afdeling bestuursrechtspraak handhaafde de lijn dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat er meer documenten zijn, en vond het vermoeden onvoldoende. Ook is de minister niet verplicht documenten van derden te verzamelen.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank naliet het bezwaar zelf ongegrond te verklaren en corrigeerde de vaststelling van de proceskosten. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van hogere proceskosten en het griffierecht. Het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2016 wordt daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van de minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en appellant krijgt proceskosten en griffierecht vergoed.