ECLI:NL:RVS:2018:752
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor benedenwoning wegens onvoldoende medische noodzaak
Appellant vroeg om een urgentieverklaring voor een benedenwoning vanwege nek- en rugklachten die traplopen bemoeilijken. Het college wees dit verzoek af na advies van een GGD-arts, die oordeelde dat de problematiek niet levensbedreigend of levensontwrichtend was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem of schrijnende situatie.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie een urgente woonbehoefte rechtvaardigde, mede bevestigd door zijn huisarts en neuroloog. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het college terecht de hardheidsclausule niet toepaste, gezien de beperkte sociale woningvoorraad en het strikte beleid voor urgentieverklaringen. De medische adviezen van de GGD-arts bleven doorslaggevend.
De Afdeling bevestigde dat het feit dat appellant op grond van de Wmo wel een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten krijgt, niet relevant is voor de urgentieverklaring. Ook het betoog dat appellant onvoldoende kansen heeft via de reguliere procedure faalde, omdat hij weinig op woningen had gereageerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens onvoldoende medische noodzaak en geen schrijnende situatie.