ECLI:NL:RVS:2018:724
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onrechtmatigheid wegens ontbreken schriftelijk terugkeerbesluit voorafgaand aan bewaring
De vreemdeling is op 26 november 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond, ondanks dat het terugkeerbesluit pas op 28 november 2017 schriftelijk werd opgemaakt vanwege een technische storing.
De vreemdeling stelde dat het terugkeerbesluit niet als grondslag kon dienen voor de bewaring omdat het niet vooraf schriftelijk was genomen en het eerdere terugkeerbesluit van 23 november 2017 niet van toepassing was vanwege de nog lopende vertrektermijn van 28 dagen.
De Raad van State oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat de vreemdeling niet schriftelijk voorafgaand aan de bewaring was geïnformeerd over het terugkeerbesluit, een vereiste volgens artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000. Het achteraf uitreiken van het terugkeerbesluit kon dit gebrek niet herstellen, ook niet bij een technische storing.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard met toekenning van een vergoeding.