ECLI:NL:RVS:2018:69
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing van besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende actuele dreiging
De staatssecretaris wees op 10 juli 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 oktober 2016 het besluit vernietigde. Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd geoordeeld dat zijn argumenten onvoldoende waren om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. De staatssecretaris klaagde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij onvoldoende had gemotiveerd waarom het familieconflict geen actuele eer- of bloedwraak betrof. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht had gemotiveerd dat het conflict ruim twaalf jaar oud was en er geen recente contacten waren geweest, waardoor het niet aannemelijk was dat de dreiging nog actueel was.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris terecht had meegewogen dat de vreemdeling als Hazara in Kabul geen reëel risico liep op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling, ondanks zijn gebrek aan sociaal netwerk en psychische problemen. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling en beslissing, waarbij ook de proceskosten werden vastgesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd met terugwijzing van de zaak.