ECLI:NL:RVS:2018:686
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing persoonlijke betalingsregeling kinderopvangtoeslag wegens grove schuld
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling voor terugvordering van te veel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013. De Belastingdienst/Toeslagen had het verzoek geweigerd omdat het ontstaan van de terugvordering volgens hen te wijten was aan opzet of grove schuld van appellante.
De rechtbank had deze afwijzing bevestigd, maar in hoger beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen haar standpunt over 2012 gewijzigd en erkend dat voor dat jaar geen sprake is van opzet of grove schuld. Het geschil concentreert zich daarom op het jaar 2013. Appellante betoogt dat de dienst onvoldoende onderzoek heeft gedaan en dat zij slechts een klein bedrag niet heeft aangetoond. Ook voert zij aan dat de dienst de complexe toeslagenwetgeving onvoldoende heeft toegelicht.
De Afdeling oordeelt dat de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van grove schuld voor 2013. De enkele omstandigheid dat niet alle kosten zijn aangetoond en dat de toeslag op nihil is gesteld, is onvoldoende voor een oordeel van grove schuld. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en draagt de dienst op een nieuw besluit te nemen, waarbij een persoonlijke betalingsregeling opnieuw moet worden overwogen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de persoonlijke betalingsregeling wordt vernietigd.