ECLI:NL:RVS:2018:494
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toevoeging rechtsbijstand in civiele procedure over hond
De zaak betreft een hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin de rechtbank het bezwaar van [wederpartij] tegen de weigering van een toevoeging voor rechtsbijstand gegrond verklaarde. [Wederpartij] was door haar gewezen partner gedagvaard in een civiele procedure over de afgifte van een hond en had een toevoeging aangevraagd om zich te kunnen verweren.
De raad had de toevoeging geweigerd omdat het financieel belang van de zaak onder de grens van € 500,- lag, mede omdat de hond een lagere waarde vertegenwoordigt. De rechtbank oordeelde dat de raad onvoldoende had gemotiveerd waarom zwaarwegende belangen of persoonlijke omstandigheden niet tot een toevoeging leidden.
In hoger beroep stelde de raad dat toekomstige proceskosten niet mogen worden meegewogen bij het belang en dat de toevoeging aan de wederpartij van [wederpartij] op basis van High Trust-samenwerking was verleend, wat niet vergelijkbaar is. De Afdeling oordeelde dat toekomstige proceskosten onzeker zijn en niet het belang vergroten en dat de rechtbank terecht belang hechtte aan de toevoeging aan de wederpartij, ook al was deze verleend op basis van High Trust.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de raad tot vergoeding van de proceskosten van € 1.002,- en het betalen van griffierecht van € 501,-.
Uitkomst: Het hoger beroep van de raad is ongegrond verklaard en de weigering van toevoeging bevestigd met proceskostenveroordeling.