ECLI:NL:RVS:2018:4323

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2018
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
201807250/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank en verwijzing beroep verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 augustus 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 27 augustus 2018 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris en de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Raad van State. De staatssecretaris motiveerde het oorspronkelijke besluit nader op 12 oktober 2018. De Raad van State oordeelde dat de aangevoerde gronden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden en verklaarde de hoger beroepen kennelijk ongegrond.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwees het beroep tegen het nieuwe besluit van 12 oktober 2018 terug naar de rechtbank Den Haag. Tevens veroordeelde de Raad van State de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 501,00 aan de vreemdeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het nieuwe besluit terug naar de rechtbank.

Uitspraak

201807250/1/V2.
Datum uitspraak: 19 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 augustus 2018 in zaak nr. NL18.14300 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Achttienribbe, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 12 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het besluit van 1 augustus 2018 nader gemotiveerd.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Hetgeen in de hogerberoepschriften is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.    De hoger beroepen zijn kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.    Het besluit van 12 oktober 2018 wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het beroep tegen dat nieuwe besluit met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verwijst het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2018, V-nummer […], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep van de staatssecretaris opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Drop    w.g. Bosma
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018
806.