ECLI:NL:RVS:2018:4274
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De zaak betreft een boete van €3.000 die aan appellant is opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd opgelegd nadat een arbeidsinspecteur had vastgesteld dat een vreemdeling zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning arbeid had verricht voor appellant.
Appellant voerde aan dat zijn verklaring tijdens het arbeidsinspectiebezoek onrechtmatig was verkregen omdat hij niet op zijn zwijgrecht was gewezen, en dat er onvoldoende bewijs was dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid had verricht. De rechtbank verwierp deze bezwaren, en ook de Raad van State oordeelde dat het onderzoek gericht was op informatievergaring zonder redelijk vermoeden van overtreding, waardoor de verklaring als bewijs mocht dienen. Verder was het bewijs gebaseerd op loonstroken en verklaringen van de boekhouder, ondanks het ontbreken van arbeidsovereenkomsten of presentielijsten.
Tot slot stelde appellant dat de boete onevenredig hoog was. De Raad van State bevestigde dat de staatssecretaris de boete passend had gematigd met 25% vanwege de omstandigheden, en dat de boete in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €3.000 wordt bevestigd.