ECLI:NL:RVS:2018:4273
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef heeft de toestemming aan appellant om beveiligingswerkzaamheden door een persoon te laten verrichten ingetrokken wegens onvoldoende betrouwbaarheid. Dit was gebaseerd op een serieuze verdenking van betrokkenheid bij een drugslaboratorium in een schuur bij diens woning. Hoewel de persoon later door de strafrechter werd vrijgesproken, vond de korpschef aanvankelijk voldoende feiten die de betrouwbaarheid in twijfel trokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond, omdat de intrekking was gebaseerd op de feiten en processen-verbaal die een serieuze verdenking ondersteunden. De vrijspraak leidde tot herroeping van het besluit, maar niet wegens onrechtmatigheid van de korpschef, maar vanwege veranderde omstandigheden.
In hoger beroep betoogde appellant dat de korpschef onvoldoende gemotiveerd had en dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de vergoeding van kosten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de korpschef terecht beoordelingsruimte had gebruikt en dat de intrekking van de toestemming terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de toestemming bevestigd.