ECLI:NL:RVS:2018:4272
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef heeft op 7 februari 2017 de toestemming aan een bedrijf ingetrokken om beveiligingswerkzaamheden door appellant te laten verrichten, vanwege een serieuze verdenking van betrokkenheid bij een drugslaboratorium. Appellant werd op 29 december 2016 aangehouden en later gedagvaard. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Appellant voerde aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte onmiddellijk uitspraak deed en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld zijn beroepsgronden in te dienen, waaronder zijn vrijspraak op 21 juli 2017. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de voorzieningenrechter terecht direct uitspraak kon doen, aangezien nader onderzoek geen nieuwe gegevens zou opleveren.
De korpschef baseerde zijn oordeel over de onvoldoende betrouwbaarheid van appellant op diverse feiten, waaronder zijn eigendom en zicht op de drugslaboratoriumschuur, verdachte huurovereenkomst, verhoogd elektriciteitsverbruik, en het strafrechtelijk onderzoek. De Afdeling bevestigde dat de korpschef voldoende beoordelingsruimte had en dat de intrekking van de toestemming terecht was, waarbij het belang van een betrouwbare beveiligingsbranche zwaarder woog dan het belang van appellant.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de toestemming bevestigd.