ECLI:NL:RVS:2018:4257

Raad van State

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
27 december 2018
Zaaknummer
201801307/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belanghebbendheid bij vergunningverlening fietsenstalling in Langenboom

Het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert verleende op 19 januari 2017 een omgevingsvergunning voor het realiseren van een fietsenstalling op een perceel te Langenboom. Appellant, eigenaar van een nabijgelegen perceel en woonachtig op een ander perceel in de buurt, maakte bezwaar tegen de vergunningverlening. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid, een oordeel dat door de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij geen belanghebbende was, onder meer omdat de afstand tussen zijn woning en de fietsenstalling kleiner zou zijn dan door het college gesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat zelfs bij de door appellant genoemde afstand geen sprake was van belanghebbendheid, omdat de fietsenstalling vanuit zijn woning niet zichtbaar is en het gebruik van een naastgelegen uitrit niet wordt belemmerd.

Verder achtte de Afdeling het niet aannemelijk dat de fietsenstalling een verkeersonveilige situatie zou veroorzaken. Omdat appellant geen belanghebbende is, kon de Afdeling niet ingaan op de overige inhoudelijke bezwaren tegen de vergunningverlening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen belanghebbende is bij de vergunningverlening.

Uitspraak

201801307/1/A1.
Datum uitspraak: 27 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Langenboom, gemeente Mill en Sint Hubert,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 januari 2018 in zaak nr. 17/2239 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een fietsenstalling op het perceel [locatie 1] te Langenboom.
Bij besluit van 4 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Jacobs, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [vergunninghouder] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een fietsenstalling op het perceel. Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
[appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 2] en woont op het perceel [locatie 3]. Hij is het niet eens met de vergunningverlening.
Het college heeft het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is. Volgens het college heeft [appellant] geen rechtstreeks, persoonlijk belang bij het besluit van 19 januari 2017.
Beoordeling van het hoger beroep
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen belanghebbende is bij de vergunningverlening. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door het college vermelde afstand van 132 m tot de fietsenstalling. Volgens hem bedraagt de afstand tussen de woning op het perceel [locatie 3] en de fietsenstalling 87 m. Hij is belanghebbende bij de vergunningverlening, aldus [appellant].
2.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:
"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."
2.2.    Het college gaat uit van een afstand van 120 m tussen de woning op het perceel [locatie 3] en de fietsenstalling en een afstand van 130 m tussen de woning op het perceel [locatie 2] en de fietsenstalling.
2.3.    Zelfs al zou worden aangenomen dat de afstand tussen de woning op het perceel [locatie 3] en de fietsenstalling 87 m bedraagt, dan betekent dat, anders dan [appellant] stelt, niet zonder meer dat hij belanghebbende is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] vanuit zijn woning geen zicht heeft op de fietsenstalling, omdat de fietsenstalling vanuit zijn woning bekeken, achter de woning op het perceel [locatie 1] wordt gerealiseerd. De rechtbank heeft voorts in de omstandigheid dat [appellant] gebruik maakt van een naast de fietsenstalling gelegen uitrit geen aanleiding gezien voor het oordeel dat [appellant] niettemin als belanghebbende moet worden aangemerkt. Zoals de rechtbank heeft overwogen, belet de fietsenstalling [appellant] niet om van de uitrit gebruik te maken. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat door de aanwezigheid van de fietsenstalling een verkeersonveilige situatie ontstaat, gelet op de ligging van de fietsenstalling en de loop van de weg.
2.4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Het betoog faalt.
3.    Hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert, heeft betrekking op de vraag of het college in redelijkheid tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan. Aan de bespreking van deze gronden komt de Afdeling, aangezien [appellant] geen belanghebbende bij de vergunningverlening is, niet toe.
Conclusie
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Pieters
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018
473.