ECLI:NL:RVS:2018:4247
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen invorderingsbesluit en last onder dwangsom waterschap Rivierenland
Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland nam meerdere besluiten tegen appellanten A en B betreffende het verwijderen van opslag binnen de beschermingszone van een watergang op hun perceel. Na diverse last onder dwangsom en invorderingsbesluiten verklaarde de rechtbank Gelderland het beroep van appellant B niet-ontvankelijk, waarbij appellant A niet als partij werd erkend.
In hoger beroep stelden appellanten dat zij gezamenlijk wilden procederen en dat de rechtbank ten onrechte appellant A niet als partij had erkend en appellant B geen belang toekende bij het beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellanten wel degelijk gezamenlijk procedureerden en dat appellant B belang had bij het oordeel, mede als mede-eigenaar van het perceel.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde het besluit van 8 mei 2017 inhoudelijk. Het betoog dat het voorschrift onduidelijk was, werd verworpen op grond van toelichting en beleidsregels. Ook het beroep dat het college niet tegen vergelijkbare overtredingen optreedt, faalde wegens onvoldoende onderbouwing. De dwangsom van €5.000 was onherroepelijk en werd niet verminderd. Het beroep tegen het besluit van 8 mei 2017 werd ongegrond verklaard.
De Afdeling gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellanten. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 8 mei 2017 ongegrond verklaard.