ECLI:NL:RVS:2018:3919
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten bij overdragen vreemdeling aan Verenigd Koninkrijk
De staatssecretaris heeft bij besluit van 11 oktober 2018 aan de vreemdeling medegedeeld dat hij zal worden overgedragen aan het Verenigd Koninkrijk. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 5 november 2018. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat er een gebrek kleeft aan het besluit omdat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over het voornemen tot overdracht. Dit gebrek is echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank heeft echter nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de proceskostenveroordeling ontbreekt. Voor het overige bevestigt de Raad van State de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.503,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.503,00.