ECLI:NL:RVS:2018:3803
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning bouw bedrijfspand op bedrijventerrein Eindhoven Airport
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven weigerde op 27 januari 2017 een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw bedrijfspand op een perceel binnen het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Eindhoven Airport'. De aanvraag betrof een onbebouwd perceel met bestemming 'Bedrijf - 4'. Het college vond dat het bouwplan in strijd was met de planregels, met name artikel 6.2.1, onderdelen a en f, omdat het gebouw buiten het bouwvlak zou komen en niet in drie vrijstaande volumes met minimaal 20 meter onderlinge afstand zou worden gebouwd.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde op 11 september 2017 dat de vergunning van rechtswege was verleend wegens overschrijding van de beslistermijn en vernietigde het besluit van het college. De rechtbank stelde dat de bepaling over drie bouwvolumes niet eist dat deze gelijktijdig worden gebouwd en dat het doorzicht behouden blijft. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de planregel bedoeld is om doorzicht in zuidwest-noordoost richting te behouden en niet om zuinig ruimtegebruik af te dwingen. De tekst van de planregel laat meerdere interpretaties toe, maar de Afdeling volgt de uitleg van de rechtbank dat het bouwplan niet strijdig is met de planregel. Omdat het college niet betwistte dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing was en de beslistermijn was overschreden, is de vergunning van rechtswege verleend.
Het hoger beroep van het college faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de partij en moet griffierecht betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.