ECLI:NL:RVS:2018:3756
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen vernietiging besluit machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 6 juni 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit besluit op 15 januari 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 september 2018 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat de uitspraak van de rechtbank niet inhoudt dat de machtiging moet worden verleend en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft.
Ook oordeelde de voorzieningenrechter dat uitvoering van de uitspraak niet automatisch een onevenredige inspanning van de staatssecretaris vereist. Gezien deze belangenafweging wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vernietiging van het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen.