ECLI:NL:RVS:2018:3712
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer na herkenning bestuurder door politie
Het CBR legde appellant een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op naar aanleiding van een proces-verbaal waarin werd vastgesteld dat appellant tijdens een autorit herhaaldelijk gevaarlijk rijgedrag vertoonde. Appellant betwistte dat hij de bestuurder was, maar het CBR handhaafde de maatregel omdat de politieambtenaar de bestuurder ambtshalve kende en hem had herkend.
De rechtbank oordeelde dat het onaannemelijk was dat de verbalisant appellant had verward met een ander, mede vanwege oogcontact op korte afstand en de herkenning van appellant als bestuurder. Appellant stelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf hanteerde en dat de identiteit van de bestuurder onomstotelijk moest zijn vastgesteld, wat volgens hem niet het geval was vanwege omstandigheden zoals duisternis en snelheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde dat 'onomstotelijk' moet worden uitgelegd in de context van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, waarbij de identiteit van de bestuurder voldoende zeker moet zijn vastgesteld, niet per se door staandehouding. De waarneming van de verbalisant in het proces-verbaal, ondersteund door aanvullende verklaringen, bood voldoende zekerheid dat appellant de bestuurder was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de oplegging van de EMG aan appellant bevestigd.