ECLI:NL:RVS:2018:3668
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand in Wahv-zaak wegens zelfredzaamheid
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de intrekking van een vergoeding voor verleende rechtsbijstand in een procedure tegen een boete wegens parkeren op een invalideparkeerplaats zonder geldige kaart. De Raad van State bevestigt het besluit van de rechtbank dat de Raad voor Rechtsbijstand terecht de vergoeding heeft ingetrokken op grond van het beleid dat in zaken onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) geen toevoeging wordt verleend vanwege de zelfredzaamheid van de rechtzoekende.
De Raad overweegt dat het opleggen van een Wahv-boete een bestraffende sanctie is en daarmee een vervolging in de zin van artikel 6 EVRM Pro, maar dat dit niet automatisch recht geeft op kosteloze rechtsbijstand tenzij de belangen van behoorlijke rechtspleging dat vereisen. De Raad stelt dat in het algemeen betrokkene in Wahv-zaken zelf in staat wordt geacht zijn belangen te behartigen, eventueel met bijstand van een andere persoon of instelling dan een advocaat.
De rechtsbijstandverlener voerde aan dat de zaak juridisch complex was en dat het beleid onvoldoende gemotiveerd was, maar de Raad oordeelt dat de rechtbank dit terecht heeft verworpen. Ook het feit dat de boete door de kantonrechter is gematigd, betekent niet dat de zaak juridisch complex was. De intrekking van de vergoeding wordt daarom bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoeding voor rechtsbijstand bevestigd.