ECLI:NL:RVS:2018:3408

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2018
Publicatiedatum
18 oktober 2018
Zaaknummer
201804754/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:56 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel en terugwijzing zaak

De staatssecretaris verklaarde de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde deze beslissing en wees het beroep van de vreemdeling af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank het verzoek om uitstel van de zitting onterecht had afgewezen, omdat het verzoek binnen de termijn van zeven dagen na de vooraankondiging was ingediend. De rechtbank had de vooraankondiging niet kunnen overleggen, maar de termijn was te kort om het verzoek af te wijzen. Hierdoor was het recht van de vreemdeling om zijn standpunt mondeling toe te lichten geschonden.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbehandeling met inachtneming van de juiste procedure. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €501,00.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd en zaak terugverwezen voor herbehandeling met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201804754/1/V1.
Datum uitspraak: 17 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 mei 2018 in zaak nr. NL18.7656 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door geen rekening te houden met de tijdig door zijn gemachtigde opgegeven verhinderdata, hem ten onrechte niet in staat heeft gesteld om ter zitting zijn standpunt te bepleiten.
1.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1785), moet uit artikel 8:56 van Pro de Awb worden afgeleid dat partijen hun standpunten tijdens de zitting, voor het bijwonen waarvan zij zijn uitgenodigd, mondeling ten overstaan van een rechter kenbaar moeten kunnen maken en moeten kunnen toelichten.
1.2.    De rechtbank heeft het verzoek van de gemachtigde van 23 april 2018 om uitstel van de behandeling van het beroep op de zitting van woensdag 23 mei 2018 afgewezen, op de grond dat het verzoek niet is gedaan binnen zeven dagen na het bericht over de vooraankondiging van die zitting.
1.3.    De rechtbank heeft de vooraankondiging desgevraagd niet kunnen overleggen. De eventuele vooraankondiging moet zijn gedaan in de periode tussen de ontvangst van het beroepschrift op 18 april 2018 en de uitnodiging van 23 april 2018 voor het bijwonen van de zitting. Omdat die periode minder dan zeven dagen beslaat, is het bericht van 23 april 2018 waarin de gemachtigde de rechtbank nogmaals wijst op haar verhinderdata, in ieder geval binnen zeven dagen na de eventuele vooraankondiging ingediend.
Gelet hierop heeft de rechtbank de afwijzing van het verzoek ondeugdelijk gemotiveerd en daardoor gehandeld in strijd met artikel 8:56 van Pro de Awb.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens als grief is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 mei 2018 in zaak nr. NL18.7656;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. De Groot
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018
210.