ECLI:NL:RVS:2018:3200
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
De minister legde aan [wederpartij], exploitant van een kleine onderneming, een boete van €16.200 op wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm), waaronder onderbetaling van twee werknemers en het niet tijdig verstrekken van bescheiden. Na bezwaar en beroep matigde de rechtbank de boete tot €4.200 wegens omstandigheden zoals de beperkte omvang van de onderneming, volledige nabetaling en het ontbreken van onwelwillendheid.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte rekening hield met factoren die al in de beleidsregels waren verwerkt, zoals de kleine omvang van de onderneming en de eerste overtreding. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad ten onrechte de boete met 50% had gematigd en stelde de boete daarom vast op €5.100.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukte dat de minister discretionaire bevoegdheid heeft bij het opleggen van boetes, maar dat deze moet worden afgestemd op ernst en verwijtbaarheid. Hoewel matiging mogelijk is bij verminderde verwijtbaarheid, was in dit geval sprake van volledige verwijtbaarheid en was de matiging van 50% te hoog.
De uitspraak bevestigt dat slordigheid en het niet voeren van een goede administratie geen reden zijn voor matiging en dat nabetaling na constatering van de overtreding niet tot verlaging van de boete leidt. De beslissing treedt in de plaats van het vernietigde deel van het eerdere besluit van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State stelt de boete vast op €5.100 en vernietigt het lagere boetebedrag van de rechtbank.