ECLI:NL:RVS:2018:3197
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing wapenverlof wegens vrees voor misbruik en onbetrouwbaarheid
Appellant had een wapenverlof dat in 2015 werd ingetrokken vanwege aanwijzingen dat hij betrokken was bij drugshandel en criminele activiteiten. Na een nieuwe aanvraag in 2016 wees de korpschef het verlof af wegens vrees voor misbruik en onbetrouwbaarheid. De staatssecretaris handhaafde deze afwijzing, mede gelet op lopend strafrechtelijk onderzoek en eerdere uitspraken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij voerde aan dat hij niet langer verdachte was omdat het Openbaar Ministerie hem sepot had gegeven onder voorwaarden. De Afdeling oordeelde dat de sepotbeslissing geen reden is om het besluit te herzien, omdat de vrees voor misbruik gebaseerd is op objectief toetsbare feiten, waaronder processen-verbaal en een mutatierapport.
De Afdeling benadrukte dat het weigeren van een wapenverlof geen strafrechtelijke sanctie is, maar een maatregel ter bescherming van de samenleving. De afwijzing blijft gehandhaafd zolang er gegronde redenen zijn om het bezit van wapens en munitie aan appellant niet toe te vertrouwen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van het wapenverlof wegens gegronde vrees voor misbruik en onbetrouwbaarheid.