ECLI:NL:RVS:2018:3157
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen afgewezen verblijfsvergunning wegens ontbreken geldig paspoort, hoger beroep ongegrond
De staatssecretaris wees aanvragen van twee in Nederland geboren vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat zij niet beschikten over een geldig paspoort. De vreemdelingen werden niet vrijgesteld van het paspoortvereiste omdat zij volgens de staatssecretaris onvoldoende inspanningen hadden verricht om een paspoort te verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich ondeugdelijk had gemotiveerd en dat de vreemdelingen wel voldoende pogingen hadden gedaan, onder meer op basis van een getuigenverklaring die stelde dat de Armeense ambassade het uitgeven van paspoorten weigerde zonder dit schriftelijk te bevestigen. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de staatssecretaris zich ter zitting op een ander standpunt had gesteld dan in het besluit. De Raad stelde dat de staatssecretaris terecht vond dat een getuigenverklaring geen objectief verifieerbare bron is en dat geen bewijs van de Armeense ambassade was overgelegd. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
De Raad overwoog dat de vreemdelingen onvoldoende hadden aangetoond dat zij zich voldoende hadden ingespannen om aan een geldig paspoort te komen, waardoor zij niet in aanmerking kwamen voor vrijstelling van het paspoortvereiste. Een verzoek om ambtshalve verlening op humanitaire gronden faalde eveneens. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.