ECLI:NL:RVS:2018:3109
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van ongeldigverklaring kentekenbewijs
De zaak betreft het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van de RDW uit 2012 waarbij het kentekenbewijs van zijn voertuig ongeldig werd verklaard vanaf die datum. Appellant had zijn voertuig in 2009 geschorst en in 2010 gesloopt, maar meldde dit pas in 2012 aan de RDW. De RDW verklaarde het kentekenbewijs ongeldig per 2012 en wees het verzoek tot terugkomen van dit besluit in 2017 af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Appellant voerde aan dat de RDW het begrip terugwerkende kracht onjuist toepaste en dat het beleid van de RDW om geen terugwerkende kracht toe te passen onredelijk was. Ook stelde hij dat gewijzigde jurisprudentie en disproportionele gevolgen voor andere bestuursorganen zoals het CJIB en de Belastingdienst nieuwe feiten vormden. De rechtbank oordeelde echter dat deze argumenten herhalingen waren van eerdere procedures en geen nieuwe feiten of omstandigheden opleverden.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat het bestuursorgaan bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit te weigeren als er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Ook is het niet evident onredelijk om het verzoek af te wijzen. Het verzoek om een medewerker van de RDW als getuige te horen wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.