ECLI:NL:RVS:2018:3066
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek medeverlening Nederlanderschap aan minderjarige wegens strafbaar feit
De staatssecretaris heeft het verzoek van een moeder om medeverlening van het Nederlanderschap aan haar minderjarige zoon afgewezen vanwege het feit dat de zoon een transactievoorstel voor een werkstraf van 16 uur heeft aanvaard wegens een strafbaar feit volgens artikel 141 Sr Pro. Dit vormde volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 en het beleid een reden tot afwijzing.
De appellant stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met individuele omstandigheden, zoals zijn minderjarigheid ten tijde van het feit, het ontbreken van eerdere strafbare feiten, en het feit dat zijn moeder wel Nederlander was. De staatssecretaris en rechtbank oordeelden echter dat deze omstandigheden niet bijzonder genoeg waren om af te wijken van het beleid en de afwijzing.
De Raad van State bevestigde het oordeel dat het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde niet is weggenomen door de genoemde omstandigheden. Tevens werd benadrukt dat het verzoek niet definitief is en dat de appellant in de toekomst opnieuw een verzoek kan indienen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap aan appellant wordt afgewezen wegens een aanvaarde werkstraf en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.