ECLI:NL:RVS:2018:299

Raad van State

Datum uitspraak
31 januari 2018
Publicatiedatum
31 januari 2018
Zaaknummer
201704015/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • B.P. Vermeulen
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 RemigratiewetArt. 6 RemigratiebesluitAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening Remigratiewet-uitkering wegens duurzame scheiding

Appellant ontving sinds 2001 een uitkering op grond van de Remigratiewet en sinds 2008 een AOW-uitkering met toeslag voor zijn echtgenote. De raad van bestuur herzag bij besluit van 17 februari 2015 de Remigratiewet-uitkering en trok de toeslag in per 1 februari 2013, omdat appellant vanaf die datum duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.

Appellant voerde aan dat de duurzame scheiding pas per 19 november 2014 was, de datum van de echtscheidingsuitspraak van de rechtbank te Nador, en dat zijn echtgenote tot die datum bij hem woonde. Hij ondersteunde dit met getuigenverklaringen. De rechtbank oordeelde echter dat appellant zijn echtgenote op 1 februari 2013 uit de woning had verjaagd en sindsdien niet meer in haar levensonderhoud voorzag, wat werd bevestigd door verklaringen en alimentatiebetalingen.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de echtscheidingsuitspraak van november 2014 niet afdoet aan het feit dat vanaf februari 2013 geen gezamenlijke huishouding meer bestond. De getuigenverklaringen waren summier en algemeen en konden de eerdere bevindingen niet weerleggen. Omdat appellant geen nieuwe feiten aanvoerde, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de Remigratiewet-uitkering per 1 februari 2013 bevestigd.

Uitspraak

201704015/1/V6.
Datum uitspraak: 31 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 2 maart 2017 in zaak nr. 16/2156 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de raad van bestuur de uitkering van [appellant] op grond van de Remigratiewet herzien.
Bij besluit van 4 oktober 2015 heeft de raad van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    [appellant] ontvangt sinds 28 april 2001 een uitkering op grond van de Remigratiewet voor hem en zijn echtgenote. Sinds 1 augustus 2008 ontvangt [appellant] een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) voor een gehuwde en een toeslag voor zijn echtgenote, omdat zij de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de raad van bestuur die toeslag met ingang van 1 februari 2013 ingetrokken, omdat [appellant] vanaf die dag duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Aangezien zijn AOW-uitkering met ingang van die dag hoger was dan zijn uitkering op grond van de Remigratiewet, is laatstgenoemde uitkering bij besluit van 17 februari 2015, gelet op grond van artikel 6, eerste lid, van het Remigratiebesluit, niet meer uitbetaald. Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de raad van bestuur de remigratievoorzieningen op grond van artikel 6, eerste lid, voornoemd, weer herzien, aangezien met ingang van die datum zijn AOW-uitkering lager is dan zijn uitkering op grond van de Remigratiewet.
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad van bestuur zijn uitkering op grond van de Remigratiewet ten onrechte met ingang van 1 februari 2013 heeft herzien in plaats van met ingang van 19 november 2014. [appellant] voert aan dat [appellant] en zijn [echtgenote] eerst met ingang van laatstgenoemde datum duurzaam gescheiden leefden, omdat de rechtbank te Nador (Marokko) op die dag de echtscheiding tussen hen heeft uitgesproken. Volgens [appellant] woonde [echtgenote], anders dan zij bij de rechtbank te Nador heeft verklaard, tot 19 november 2014 met hem samen. Ter staving van dit betoog verwijst [appellant] naar door hem overgelegde getuigenverklaringen.
3.    Artikel 5 van Pro de Remigratiewet luidt: '1. Indien de remigrant een partner heeft en hij ophoudt met deze persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, verkrijgt ieder der partijen een recht op remigratievoorzieningen als ware hij een alleenstaande remigrant. […]'
Artikel 6 van Pro het Remigratiebesluit luidt: '1. Op het brutobedrag van de remigratie-uitkering wordt in mindering gebracht het bruto bedrag van de uitkeringen op grond van […] de Algemene Ouderdomswet, waarop de remigrant of zijn partner over de maand waarop de remigratie-uitkering verstrekt wordt, aanspraak heeft.'
4.    De rechtbank te Nador heeft in haar uitspraak van 16 juni 2014 overwogen dat [appellant] [echtgenote] op 1 februari 2013 uit de echtelijke woning heeft verjaagd en dat [appellant] vanaf die dag niet meer heeft voorzien in het levensonderhoud van [echtgenote] en hun kinderen. Genoemde rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op door [echtgenote] afgelegde verklaringen. Op het verzoek van [echtgenote] heeft de rechtbank te Nador [appellant] verplicht tot het betalen van alimentatie aan haar en de kinderen met ingang van 1 februari 2013. [appellant] heeft op 7 juli 2014 bij een deurwaarder te Nador verklaard bereid te zijn deze verplichting na te komen en heeft op 11 juli 2014 bij de deurwaarder een bedrag aan alimentatie betaald. Gelet op deze feiten heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad van bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en [echtgenote] vanaf 1 februari 2013 geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat de rechtbank te Nador in haar uitspraak van 19 november 2014, nadat verzoeningszittingen op 28 november 2013 en 16 januari 2014 niet tot verzoening tussen [appellant] en [echtgenote] hebben geleid, de echtscheiding tussen hen heeft uitgesproken, alimentatie heeft vastgesteld en een omgangsregeling voor de kinderen heeft vastgesteld, doet er niet aan af dat reeds vanaf 1 februari 2013 geen gezamenlijke huishouding meer bestond tussen [appellant] en [echtgenote].
Voor zover [appellant] verwijst naar bij de rechtbank overgelegde getuigenverklaringen heeft de rechtbank terecht overwogen dat de inhoud van deze verklaringen summier en algemeen van aard is. Deze verklaringen hebben betrekking op de gehele huwelijkse periode van 18 maart 1996 tot 19 november 2014. Eén verklaring is ondertekend door vier personen, onder wie een zoon van [appellant]. De andere verklaring is ondertekend door buren van [appellant]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze verklaringen niet tot de conclusie kunnen leiden dat [echtgenote] bij de rechtbank te Nador niet de waarheid heeft verteld en kunnen niet afdoen aan hetgeen de rechtbank te Nador heeft overwogen. Nu [appellant] in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden ter staving van zijn betoog aanvoert, faalt zijn betoog.
5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Groenendijk
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018
164.