ECLI:NL:RVS:2018:2821
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling feitelijke gezinsband bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf meerderjarig kind
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een meerderjarig Iraans kind, dat wilde nareizen naar zijn moeder in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat het kind naar zijn oordeel niet meer feitelijk tot het gezin van de moeder behoorde, omdat hij in eigen onderhoud voorzag. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de gezinsband was verbroken.
In hoger beroep stelde de staatssecretaris dat hij wel degelijk voldoende draagkrachtig had gemotiveerd dat het meerderjarige kind zelfstandig in zijn levensonderhoud voorzag, onder meer op basis van verklaringen van de moeder, het kind en diens broer, en overgelegde documenten. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de staatssecretaris zich uitsluitend op de eerste verklaring van de moeder had gebaseerd. De Afdeling concludeerde dat de staatssecretaris terecht aannam dat het kind eigen inkomen had en dat de feitelijke gezinsband was verbroken.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en dat van de vreemdeling en referente ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het besluit van 28 juni 2018 vernietigd omdat het geen grondslag meer had. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling en referente wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt verworpen.