ECLI:NL:RVS:2018:2780
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onmiddellijke sluiting horecagelegenheid wegens handel in harddrugs
De burgemeester van Amsterdam heeft op 29 september 2016 de onmiddellijke sluiting voor onbepaalde tijd van een horecagelegenheid gelast vanwege de aanwezigheid van harddrugs en dealerindicaties. De politie had bij controles cocaïne aangetroffen bij een persoon die werkzaam was in de inrichting en illegaal in Nederland verbleef.
De burgemeester handhaafde het besluit op bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep van de exploitant ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet en dat er een redelijk evenwicht bestond tussen het algemeen belang en het eigendomsrecht van de exploitant.
In hoger beroep betoogde de exploitant dat hij niet de overtreder was en dat de sluiting disproportioneel was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze gronden, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de burgemeester terecht had gehandeld binnen het wettelijk kader en het beleid. De sluiting was proportioneel en het eigendomsrecht werd niet geschonden.
De Afdeling benadrukte dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs en dealerindicaties de burgemeester bevoegd is tot sluiting, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. De exploitant slaagde hier niet in. De onmiddellijke sluiting diende het doel van het beëindigen van de openbare ordeverstoring en het voorkomen van verdere drugshandel.
De uitspraak werd op 22 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken en de proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de onmiddellijke sluiting van de horecagelegenheid wegens handel in harddrugs.